Vrij spelen in een rijke omgeving: daarvoor gaan kleuters naar school!

Waarop zou de focus moeten liggen in de kleuterklas? Volgens Wilna Meijer, universitair hoofddocent algemene pedagogiek aan de Rijksuniversiteit Groningen, is het antwoord simpel: vrije activiteit van kleuters in een rijke omgeving. Toch komt deze docente in haar boek ‘Onderwijs, weer weten waarom’ (2013) tot de vaststelling dat vrije activiteit in een rijke omgeving geen vanzelfsprekende realiteit is in de kleuterklas.

Verschoolsing en ontscholing: tegenstelling, maar toch hand in hand

Volgens Meijer kunnen we spreken van een paradox binnen het hedendaagse onderwijs aan jonge kinderen. Enerzijds stelt zij ‘verschoolsing’ vast: jonge kinderen brengen steeds meer tijd op school door, en worden al vroeg geconfronteerd met instructie, toetsen, en opbrengstgericht werken. Dankzij de ‘brede school’, waar naast het eigenlijke onderwijs en opvangmogelijkheid, ook tal van andere activiteiten op en met de school worden georganiseerd, spenderen kinderen erg veel tijd op school. Meijer vindt het dan ook belangrijk om vraagtekens te plaatsen bij de vanzelfsprekendheid en het gemak waarmee de vrijheid en letterlijk de ‘vrije tijd’ van kinderen wordt ingeperkt. ‘De eigen vrije tijd van jonge kinderen nadert op doordeweekse dagen nul’, zo stelt zij. Anderzijds spreekt Meijer, naast de verschoolsing, ook van ‘ontscholing’ in het onderwijs: de school waar kinderen steeds meer tijd doorbrengen, wordt intussen steeds minder school. Het draait in scholen, naast vertrouwde vakken als lezen en rekenen, steeds meer om competenties, waarden en normen, en bredere educaties zoals milieu-educatie, gezondheidseducatie of vredeseducatie.

Het lijkt er volgens mij dus sterk op dat scholen vandaag de dag het noorden een beetje kwijt zijn: we zien verschillende bewegingen, in secundaire scholen, lagere scholen en ook in kleuterscholen. We kunnen ons de vraag stellen of er nog wel voldoende tijd overblijft voor vrij spel van en met onze kleuters in de kleuterschool. De continue onderstroom van bovenstaand beschreven ontwikkeling van verschoolsing enerzijds en ontscholing anderzijds is volgens Meijer economisering: het is vandaag allemaal opbrengstgericht werken wat de klok slaat. ‘De testcultuur, de cultuur van meten en het afrekenen op gemeten output heeft in de school de overhand gekregen’, stelt Meijer.

Waar draait het dan wel om in de kleuterklas?

Meijer ijvert ervoor om kleuters eerst en vooral kleuters te laten zijn. Zij pleit ervoor om het meer formele, ‘schoolse’, doelgerichte leren uit te stellen tot op zesjarige leeftijd. Tot die leeftijd vindt Meijer het vooral van belang dat de interesse, de aandacht en de concentratie van jonge kinderen geprikkeld wordt door middel van steeds wisselende hoeken, materialen en activiteiten, op basis van de noden van de kinderen. Volgens haar worden taal en denken immers continu aangesproken wanneer men een verhaal-, vertel- en vooral spelcultuur stimuleert in de kleuterklas.

En wat denk jij?

Worden jonge kinderen vandaag de dag te sterk prestatiegericht benaderd?

Starten we te snel met het opbrengstgericht werken bij kinderen?

Heeft het testen van kinderen op jonge leeftijd negatieve gevolgen?

Moeten we het formele, ‘schoolse’, doelgerichte leren uitstellen tot de leeftijd van 6 jaar? Of later?

 

Laat van je horen en geef ons jouw mening!

 

Meer lezen?

Meijer, W. (2013). Onderwijs: Weer weten waarom. Amsterdam: SWP.

Bron:

Meijer, W. (2014). Het accent op vrije activiteit in een rijke omgeving. Weten waarvoor je naar school gaat. In ‘De wereld van het jonge kind’, maart 2014, p22-25.

7 gedachtes over “Vrij spelen in een rijke omgeving: daarvoor gaan kleuters naar school!

  1. Toevallig schreef de Amerikaanse onderwijsspecialist R. Slavin net een blogbericht over de laatste vraag: http://www.huffingtonpost.com/robert-e-slavin/happy-50th-birthday-head_b_7407216.html . Hij stelt vast dat in de Amerikaanse kindergarten (+- onze 3de kk, groep 2) wiskunde en voorbereidend lezen een vast plaatsje hebben gewonnen. Voor de 3- en 4-jarigen bestaat er een felle strijd tussen ontwikkelingsprogramma’s en gebalanceerde programma’s. Ontwikkelingsprogamma’s hebben veel aandacht voor spel, fantasie, luisteren naar verhalen, zingen, handwerk. Gebalanceeerde programma’s hechten ook veel belang aan eerdergenoemde zaken, maar werken daarnaast op speelse wijze aan onder meer het foneembewustzijn, ‘phonics’, en aan vroege wiskundige vaardigheden.
    Welk type van programma is het beste? Als het op taalvaardigheid aankomt, zegt R. Slavin, winnen de gebalanceerde programma’s, niet alleen voor wat betreft de technische vaardigheden in voorbereiding op leren lezen (logisch, want daar hebben ze op geoefend), maar ook voor wat betreft de algemene mondelinge taalvaardigheid. Deze conclusie baseert hij op een onderzoeksanalyse die binnenkort verschijnt. Iets om naar uit te kijken.

    Like

    • We gaan akkoord met Slavin. Het ervaringsgericht kleuteronderwijs zoals Ferre Laevers en CEGO dit destijds voorstelden was veel te extreem en eenzijdig. In Onderwijskrant nr. 139 (www.onderwijskrant.be) lichten we onze kritiek uitvoerig toe. We deden vanaf 1977 ons best om dit duidelijk te maken – ook aan de inspectie, maar er kwam jammer genoeg weinig reactie/steun vanuit de kleuternormaalscholen.

      Like

  2. Enkele passages uit het themanummer van Onderwijskrant nr. 139 – oktober 2006 – op http://www.onderwijskrant.be) over het ervaringsgerucht onderwijs van Ferre Laevers en CEGO-Leuven.

    EGO-gestuurd leren vanuit eigen ervaring & doe-het-zelf

    1 Zelf-realisatie en groeimetafoor

    1.1 Omgangskunde ‘vom Kinde aus’

    Laevers negeerde en bekritiseerde de kenmerken van het klassieke onderwijsmodel (zie deel 1). Hij propageerde ontscholing en het ontplooiingsmodel à la Carl Rogers waarin de groeimetafoor centraal staat. Het EGO bekijkt het kind als een op zichzelf besloten wezen (individuüm, ego) dat zichzelf ontwikkelt vanuit aangeboren criteria en vanuit zijn allerindividueelste ‘ervaringsstroom'(=nature-model). Het ‘ego’ van de leerling voert de boventoon. Het EGO biedt geen omvattende onderwijstheorie; het gaat bijna uitsluitend om ErvaringsGerichte Omgangskunde en om een pleidooi voor verregaande ontscholing en ont-intellectualisering van het onderwijs. CEGO-medewerker Luk Bosman schreef onlangs: “Leraars moeten sterke persoonlijkheden zijn die op de eerste plaats meesterschap hebben ontwikkeld op het gebied van het omgaan met jongeren, en pas in de tweede plaats vakvrouw of vakman zijn op een bepaald kennisgebied. … Geleidelijk voltrekt zich in het onderwijs een verschuiving van het overdrachtsmodel naar een participatiemodel “(Participatief leren en onderwijzen, Impuls, april 2006, p. 132).

    De term ‘ervaringsgericht onderwijs’ heeft niets te maken met ‘ervaringsgericht leren’ in de betekenis van ‘ervaring opdoen’, maar betekent ‘leren vanuit de eigen ervaring als kompas’, vanuit het eigen innerlijk aanvoelen. De basiskritiek op deze visie luidt: EGO-gecentreerd onderwijs is gebaseerd op een eenzijdige wending naar het ego van het kind dat zichzelf ontplooit en construeert, op een ‘vom Kinde aus’-aanpak. Criteria voor de gewenste ontwikkeling van het kind kunnen echter o.i. niet zomaar aan het kind zelf worden ontleend. De motivatie om ‘Vom Kinde aus’ (vanuit het ego) op te voeden en te onderwijzen, maakt het in feite onmogelijk om echte opvoeding en onderwijs tot stand te brengen. EGO was/is Eigenlijk Geen Onderwijs in de echte betekenis van het woord; het is een contradictio in terminis.

    Prof. J.D. Imelman stelt dat mensen als Laevers en soortgenoten een ego-cultuur en een ‘al-goe-kadullenpedagogie’ propageren. Hij schrijft: “Er zijn mensen die kinderen zien als creatieve samenballingen van energie die slechts ruimte nodig hebben om tot de meest persoonlijke van alle persoonlijke ontplooiingen te kunnen komen. Dit komt ook tot uiting in allerlei vormen van ‘denken vanuit het kind’, in het gezelligheids- en ontplooiingsdenken, in het overbeklemtonen van de individuele creativiteit van het kind… Alle aandacht gaat dan naar zelfontplooiing, zelfwerkzaamheid, zelfsturing, creativiteit, en dat steeds in de context van relationele en contactuele waarden. Met een ware verkondigingsdrift propageren deze mensen de ego-cultuur op school” (Een optimistische pedagogiek – en de praktijk?, in: B. Spiecker e.a., Theoretische pedagogiek, Meppel, Boom, 1982). Analoge kritieken werden geformuleerd door Laevers’ Leuvense collega’s: Hellemans, Masschelein, Simons, Smeyers, De Fraine, Kelchtermans, Van Crombrugge …

    1.2 ‘Laten groeien’-parabel

    Laevers stelde in 1976 het EGO voor als de verlossing uit de ellende. Ook nog in 1992 en 1995 omschreef hij ons basisonderwijs als ‘barbaars’. Als alternatief pleitte hij voor het zelfontplooiingsmodel. De term ‘zelf-realisatie’ stond bovenaan in het EG(K)O-tempelschema. Laevers verwees hierbij naar de pedagogische EGO-parabel – die ook afgedrukt werd op de laatste pagina van het ‘Werkboek voor een ervaringsgerichte kleuterklaspraktijk’, 1983. We vatten de parabel even samen. Drie hoveniers ontvangen elk een bloembol van een vreemdeling. Zowel bij de eerste als de tweede hovenier kwijnt de bloem weg. De eerste had elke toelichting van de vreemdeling weggewuifd, omdat hij het zelf beter dacht te weten. De tweede mishandelde de bloem door ze naar zijn hand te dwingen. Alleen de derde hovenier slaagde erin een mooie bloem te kweken. Hij liet de plant immers groeien uit eigen kracht, zonder ze te forceren. Zijn ingrijpen beperkte zich tot de omgeving van de plant. ‘Een levende bloem had zichzelf geopenbaard’.

    Prof. Mark Depaepe (KU Leuven) typeerde het EGO als volgt: “De leidster laat het initiatief voor de (zelf)ontwikkeling zoveel mogelijk aan de kleuters over, terwijl de leidster anderzijds zo weinig mogelijk zelf iets opdringt … Men kan niet ontkennen dat het EGKO zich binnen de klassieke strijdvraag ‘führen oder wachsenlassen” dicht bij de pool van het wachsenlassen bevindt” (Tussen ‘führen’ en ‘wachsenlassen’, Pedagogisch Tijdschrift, jg. 7, 1982, p. 394). Vrij initiatief en milieuverrijking zijn dan ook belangrijke pijlers binnen het tempelschema. In 1992 beklemtoont Laevers nog eens dat het zelfontplooiingsmodel centraal staat: “In een ervaringsgerichte benadering van het onderwijs wordt veel vertrouwen uitgedrukt in de groeikracht van het kind.’ Goed onderwijs sluit aan op de behoeften van ieder kind’ is een bewering die inhoudt dat kinderen in principe gericht zijn op activiteiten die hun ontwikkeling stimuleren. Het behoeftepatroon is het sturend mechanisme voor de ontwikkeling, en de ontwikkelingslijn is in zekere zin vooraf bepaald” (Ervaringsgericht werken in het basisonderwijs, CEGO, 1992).

    2 Leren vanuit eigen ervaring & betrokkenheid

    Rogers en Laevers gaan uit van het geloof in de aangeboren groeikrachten, innerlijke drijfkrachten naar het model van de biologische groei bij planten. De opvoedeling wordt wat hij in wezen is zoals een plant of een boom groeit vanuit het ene zaadje. Net zoals organismes weten kinderen wat goed is voor henzelf vanuit een organisch waarderingsproces en vanuit hun ervaringsstroom (innerlijk aanvoelen). Laevers nam de invulling van de term ‘ervaring’ over van Carl Rogers en dit in de eigenzinnige betekenis van ervaringsstroom, innerlijk aanvoelen (C. Rogers, Leren in Vrijheid, Haarlem, De Toorts, 1973). ‘Het kind vaart op het kompas van de eigen ervaring’, aldus Rogers. Zoals het kind bij honger kiest voor aangepast voedsel, zo kiest de kleuter ook voor aangepast voedsel binnen de speelhoeken. Ontwikkeling is loswikkeling van hetgeen al in aanleg aanwezig is en volgens visies à la Piaget verloopt dit volgens een inwendig, aangeboren plan. Als de omstandigheden het toelaten, als het milieu voldoende rijk is, kan de ontplooiing van alle in de kiem aanwezige mogelijkheden niet uitblijven. Enkel het kind weet en voelt aan wat het nodig heeft voor zijn ontwikkeling; het weet wat het wil en het heeft zijn doel helder voor ogen, aldus Laevers en co. Het kind leert vanuit de eigen ervaring (innerlijk aanvoelen) en bepaalt vanuit die betrokkenheid wanneer het aan leren lezen e.d. toe is. In de hierop volgende bijdrage maken we duidelijk dat leren vanuit ego-gerichte betrokkenheid en verlangens haaks staat op het wekken van brede betrokkenheid op culturele verwachtingen en op de wijde wereld.

    De leerkrachten moeten elk kind de vrijheid geven die het nodig heeft om zijn allerpersoonlijkste mogelijkheden te ontplooien; het vrij initiatief en de zelfsturing staan centraal. De leerkracht kan enkel een voedingsbodem, een rijk milieu, scheppen. De leerkracht moet zijn rol voor een groot deel – via veelvuldig observeren – aflezen uit wat zich op een bepaald moment in het kind afspeelt. Het voortdurend observeren van de cognitieve noden en affectieve roerselen van elk kind – zijn betrokkenheid – vergt dan ook veel tijd. De juf van de ‘Kindergarten’ vervult de rol van de tuinier die het kind laat groeien (wachsenlassen) in de kindertuin. De leerkracht moet discreet begeleiden en niet actief leiden en ingrijpen; hij mag geen leerinhouden opdringen. Met wat oudere leerlingen moet permanent onderhandeld worden over wat ze al dan niet zinvol vinden.

    Rogers stelt uitdrukkelijk: “Onderwijzen is een betrekkelijk onbelangrijke en sterk overschatte bezigheid ” (Leren in Vrijheid, p. 91); de kennis verandert immers vlug en we weten toch niet echt wat de leerlingen zullen nodig hebben. Bij Rogers en Laevers komen de typisch schoolse doelstellingen op de achtergrond en ze worden zelfs afgebroken (=ontscholing). Laevers heeft zijn EGO-visie kritiekloos aan Carl Rogers ontleend. Rogers schreef letterlijk dat de school vooral moet zorgen voor een ‘rijk milieu’ (p. 117), voor hulpbronnen (boeken, leermiddelen, excursie…). Rogers dweepte ook al naar een onderwijzeres die ‘contractwerk’ gebruikte in het basisonderwijs (p. 118), met het opdoeken van de leerplannen en vertrekken van de leervragen van de leerlingen. Enkel zelf-ontdekte kennis is kennis die bijblijft (p. 134). Het kind is de architect van zichzelf (p. 237).

    3 Individualisatie & constructivisme,
    Leerling als zelfstandige ondernemer

    In 1993 poneerde Laevers na 17 jaar EGKO: “Het EGKO heeft aangetoond dat in een kleuterklas van 25 en meer kinderen het praktisch haalbaar is de individuele kleuter grotendeels zelfstandig te laten beslissen over de aard, de duur en de frequentie van zijn leeractiviteiten. … (Pedagogische Periodiek, oktober 1993). Hij voegde eraan toe dat Maria Montessori hierin het EGO was voorgegaan. In de publicatie van 1992 over EGO in het lager onderwijs werd deze filosofie doorgetrokken. Dit betekent tegelijk dat afstand genomen werd van het klassikaal systeem waarin de leerlingen samen optrekken en waarin gewerkt wordt met klassikale instructie, leerplannen e.d. Leren is binnen het EGO niet langer een collectieve initiatie in een domein dat de leerling vreemd is en zijn persoonlijke wensen en ambities overstijgt, het is een individueel project waarbij iedere stap het resultaat is van een bewuste persoonlijke keuze van de leerling. Laevers en co zien het kind als een soort zelfstandige en creatieve ondernemer die zichzelf stuurt en construeert en weet wat hij wil. De leerlingen worden in de eerste plaats individueel en gescheiden van anderen aangesproken. Steeds jonger moet de leerling tot zelfverantwoordelijk leren worden gebracht. Volgens Bandura en vele anderen zijn de ‘zwakkere’ leerlingen het meest de dupe van deze doe-het-zelf-pedagogiek.

    De professoren Masschelein en Simons betreuren dat het beeld van de leerling als een zelfstandige ondernemer (het selfmanagement) jammer genoeg centraal staat in de gangbare manier van spreken binnen beleidskringen en bij een aantal onderwijskundigen en leerpsychologen (Globale immuniteit, Acco 2003.) Zij verwijzen expliciet naar het constructivisme en naar de visie van Rogers waarbij de ervaringsgerichte visie van Laevers aansluit. We citeren even: “In het gangbare denken over onderwijs wordt leren een individueel construeren en reconstrueren van innerlijke werelden, dat slechts in beperkte mate van buitenaf gestuurd kan worden. De verantwoordelijkheid voor het leren ligt bijgevolg bij de lerende zelf. … Onderwijs maakt het de lerende mogelijk om zijn ‘individuele’ leerbehoeften te voldoen en zijn menselijk en productief kapitaal te ontwikkelen … De leerling wordt ertoe opgeroepen om zich zelf op te vatten als gericht op zelfbepaling en zelfontplooiing. Hierbij sluit een opvatting van onderwijzen aan waarin onderwijs niet meer gericht is op het overdragen van kennis, maar op het aanbieden van stimulerende en faciliterende leeromgevingen. … Uitgangspunt zijn de individuele leerbehoeften en het individuele leerpotentieel die zeer verschillend kunnen zijn. Er moeten daarom leeromgevingen worden gebouwd waardoorheen de lerende zelfstandig zijn weg kan afleggen. … Dit alles leidt tot een sterke individualisering en modularisering van het leerproces en van het leertraject. Vanuit zo’n visie is de leerkracht niet langer een deskundige expert en gids, maar iemand die het project van zelf-ontwikkeling moet ondersteunen. Met de figuur van de ondernemende leerling correspondeert de figuur van de dienstverlenende leerkracht die niet langer onderwijst, maar optreedt als facilitator en inrichter van de leeromgeving (milieu, studiehuis, ateliers …).”

    4 Product-proces verwarring & dictatuur van welbevinden

    Laevers stelt vooral de proceskenmerken ‘betrokkenheid en welbevinden’ centraal. In het ‘Rapport van het Nederlandse Sociaal en Cultureel Planbureau 2004’ wordt gesteld dat een “al te sterke gerichtheid op proceskenmerken contraproductief werkt”. ‘The proof of the pudding is in the eating’, maar niet volgens Laevers. Productcontrole vindt hij niet belangrijk. Het EGO focust niet op leerresultaten, maar enkel op het leerproces, de wijze waarop de pudding gemaakt wordt. Laevers reduceert hierbij nog de vele kenmerken van het leerproces tot twee magische begrippen: betrokkenheid en welbevinden. Hij verwaarloost de productcriteria, de leerresultaten én vele andere procescriteria.

    Volgens Laevers moeten de leerkracht, maar ook de inspectie en de overheid in de eerste plaats het welbevinden en de betrokkenheid controleren en niet de leerresultaten, het product. Op de Onderwijsresearchdagen (Leiden, 2000) bestempelde prof. Bosker dit als product-procesverwarring. We citeren even uit het congresverslag: “Bosker merkte op dat Laevers’ benadering middel-doelverwarring kan worden verweten omdat de effectiviteit van onderwijs aan het bereiken van vooropgestelde doelen moet worden gemeten en niet aan het bereiken van een paar intermediaire (proces)doelen.” Bosker typeerde de gevaren van Laevers’ aanpak met de uitdrukking ‘operatie geslaagd, maar patiënt overleden’, of de leerkracht, inspecteur… die al tevreden is als welbevinden en betrokkenheid tijdens het proces aanwezig zijn, ook al blijven de resultaten uit. Op recente COV-studiedagen wees prof. Hans Van Crombruge op de vele gevaren die verbonden zijn aan ‘de dictatuur van het welbevinden’. Laevers’ Leuvense collega Geert Kelchtermans formuleerde het zo: “Leren moet niet per se leuk zijn. Leren vraagt nu eenmaal inspanning en dat is lastig. Ook nieuwe inzichten of vaardigheden opdoen na een inspanning, stimuleert het welbevinden. Ik kan het” (D.M., 26.05.04).
    We besteden verderop een afzonderlijke bijdrage aan de ‘dictatuur van het welbevinden’.

    5 Bevrijdingsprocessen & emancipatie

    Laevers beschouwt de leerling op cognitief vlak als een zichzelf sturende ondernemer, maar tegelijk twijfelt hij sterk aan zijn affectieve zelfredzaamheid en weerbaarheid. Een leerkracht moet immers veel aandacht besteden aan het bevrijden van het kind uit zijn affectieve kluisters, stress, jaloezie, gebrek aan zelfvertrouwen, agressieve neigingen … Het kind is vaak de dupe van de hinderpalen in de omgeving en in de samenleving: ouders die te veel verbieden, kinderen die om waardering en liefde te bekomen vervreemden van hun eigen ervaringsstroom (aanvoelen) … De juf of leerkracht moet dan de innerlijke krachten helpen vrijmaken om het kind in staat te stellen zichzelf te verwezenlijken. Laevers spreekt in dit verband over bevrijdingsprocessen en genezingsprocessen.

    Bovenaan Laevers’ tempelschema prijkt het concept ‘emancipatie’. Deze term slaat enkel op het ‘het goed contact hebben met de eigen ervaringsstroom’, met het affectief aanvoelen, met een gezonde psychische basis. Emancipatie heeft niets te maken met volksverheffing en mondigheid.

    Like

  3. Spel en speelhoeken in Kleuteronderwijs à la Laevers en CEGO : geen garantie op ontwikkeling- Bijdrage van Raf Feys in Onderwijskrant nr. 139 (oktober 2006; http://www.onderwijskrant.be)

    1 ‘Child development-model’ en ‘activity-oriented’ kleutertuin

    In 1968 lazen we een publicatie waarin het kindertuin- of ‘child development’-model’ (cf. EGKO) scherp bekritiseerd werd door de professoren Sullivan, Reidford, Engelman en Ausubel (P. Reidford, ed., Psychology and the Early Childhood Education’, 1966, Ontario Institute for Studies in Education). De onderzoekers B. Tizard en M. Hughes betreurden in 1984 eveneens dat de aanpak in de kleuterschool (Infantschool) minder intentioneel was dan de opvoeding in de ‘middle-class’-gezinnen waar de verbale interactie met volwassenen veel centraler stond. Het belang van vrij spel en omgang met objecten werd volgens hen sterk overschat (Talking and thinking at home and at school, Fontana Paperbacks, London, 1984).

    In 1985 kantte ook J. Lems, coördinatrice van de ‘Werkgroep Identiteit Kleuteronderwijs’, zich tegen ontwikkelingen à la EGKO: “Op materialen gerichte individuele bezigheden verdringen de immateriële en op relatie gerichte doelstellingen, de interactie met de kleuterjuf en zelfs het ‘samen’-spelen en het zorgvuldig uitgekiende speelplan. Verder komt ook het ‘wij’ in de verdrukking en het ‘ego’ voert de boventoon. … De kleuterleidster fungeert te weinig als medium tot leren’ en de betrokkenheid op de groep en op de leerkracht vermindert” (School, april 1985). In kleuterscholen waarin die individualisering was doorgedrongen, liepen volgens Lems en vele anderen de onderwijsresultaten sterk terug; veel leerkrachten eerste leerjaar lager onderwijs bevestigden dit. In het EGKO worden de ontwikkeling van de taal, de gerichte verkenning van de wereld, beginnend lezen en rekenen … al te weinig gestimuleerd. De allochtone en ‘benadeelde’ kleuters zijn hier het meest de dupe van. Het EGKO drong meer door in Vlaanderen dan in Nederland. Prof. Verschaffel e.a. stelden een paar jaar geleden dan ook vast dat de Vlaamse kinderen op het einde van de kleuterschool minder goed presteerden voor beginnend rekenen dan de Nederlandse.

    Laevers koos in 1976 voor EGKO waarin de ‘child development-aanpak’, de kind-materiaal interactie en de spontane exploratiedrang centraal stonden. Het EGKO-leerproces berustte vooral op het handelen met – en exploreren van de materiële omgeving en de interactie hierbij tussen de kinderen. De invloed van de ontwikkelingspsycholoog Jean Piaget was hier sterk voelbaar. In onze scriptie over Piaget schreven we in 1969: “De visie van Piaget slaat vooral aan bij mensen die voorstander zijn van ‘discovery- and activity-learning en heel weinig bij voorstanders van een (kleuter)school waarin de verbale en intentionele interactie tussen leerkracht en leerling(ne) een centrale rol vervult.” Reuven Feuerstein die destijds bij Piaget in de leer ging, nam achteraf afstand van hem. Feuerstein schreef: “Niet de directe ervaring met de omgeving, maar vooral de indirecte – de ‘bemiddelde’ ervaring, is belangrijk voor de ontwikkeling van het kind. Hiervoor is iemand met meer kennis nodig, meestal een volwassene, die optreedt als tussenschakel tussen kind en omgeving. In ‘opgetuigde’ klassen leren kinderen al te weinig.”

    2 Spel: geen garantie voor ontwikkeling

    Laevers verwachtte al te veel heil van het vrij spel in speelhoeken en aan het vrij initiatief. Binnen EG(K)O werd lange tijd alle heil verwacht van het vrij initiatief. Laevers’ basisstelling luidde: kinderen moeten bijna moment na moment individueel kunnen bepalen wat ze gaan doen. Je moet kleuters laten kiezen, het liefst niet uit vier maar uit een tiental speelhoeken. Ook voor het lager onderwijs pleitte hij in 1992 voor een evolutie waarbij het verschil tussen het ‘leerse’ en het ‘speelse’ zou wegvallen. Spel is volgens Laevers en co een activiteit die het kind uit eigen beweging zoekt en zonder dat iemand dit als plicht moet opleggen. Het gebruik van een ludieke stimulans om het leerproces in gang te zetten, is inderdaad vaak noodzakelijk bij kleuters en af en toe ook bij oudere leerlingen. Toch kunnen de meeste schoolse zaken niet zomaar spelenderwijs geleerd worden. Spelen garandeert nog geen ontwikkeling; we speelden als kind eindeloos het spel van ‘zaaien, maaien en oogsten’ zonder veel bij te leren. Spel betekent verder experimenteren met het toeval. Het leren op school richt zich vooral op geprogrammeerde, specifieke en weloverwogen doelen die zonder de school voor de meeste leerlingen niet bereikbaar zijn. Voor ‘vrij spel’ is er buitenschools veel ruimte.

    De filosoof Fernando Savater, drukt het zo uit: “Alleen al het idee om vooral naar school te gaan om te spelen, is onzinnig: om te spelen hebben kinderen meer dan genoeg aan zichzelf, daar hebben ze geen school voor nodig. Als het om spelen gaat, is het trouwens veel beter kinderen met rust te laten en ze inderdaad hun eigen speelhoek of speelplek te laten kiezen of zoeken. Een van de eerste zaken die zelfs kleuters al op school zouden moeten leren, is nu juist dat wij niet heel ons leven met spelen kunnen vullen. Het spel en alles wat spelenderwijs tot ons komt, leren wij op eigen kracht of met hulp van vriendjes; we gaan naar school om datgene te leren wat niet elders onderwezen wordt. … De bedoeling van het schoolonderwijs is kinderen voor te bereiden op een leven als volwassenen, niet
    zomaar om hun kinderpret te bestendigen” (De waarde van opvoeden, Bijleveld, 2001, p. 99-100).

    3. Veelzijdig en leerkrachtgestuurd kleuteronderwijs

    In een recente Nederlandse studie stelden de onderzoekers vast dat de invloed van de kindvolgende aanpak in sterke mate aan het verminderen is, op het niveau van het denken en nog meer op het niveau van de dagelijkse praktijk van de kleuterleidsters (Studiekatern ‘Het jonge kind’, ‘Didaktief’, mei 2004). Ledoux en Mulder schrijven dat er uiteraard in groep 1 en 2 (=2de en 3de kleuterklas) nog gespeeld, geknutseld, geknipt en geplakt wordt, maar dat het accent steeds meer is komen te liggen op het meer gestructureerd aanleren van vaardigheden. De ontwikkeling van beginnende taal-, lees- en rekenvaardigheden nemen een meer prominente plaats in op het lesrooster.

    Volgens Jaap Roeleveld blijkt dat in groep 2 (=derde kleuterklas) de leerkrachten nu meer dan tien jaar geleden kiezen voor een mengeling van aanbodgerichte en kindgerichte aanpak. En verder: “Het betekent dat het aspect van het programmatisch werken aan ontwikkelingsaspecten steeds algemener wordt, en zowel wordt toegepast door leraren die naar eigen zeggen meer aanbodgericht werken, als door collega’s die naar eigen zeggen meer kindgericht (kindvolgend) werken. …. Er zijn verder maar weinig leidsters die niet gericht werken aan het voorbereidend lezen en rekenen. Op een aantal scholen worden hiervoor voorlopers van lees- en rekenmethoden gebruikt.” Op scholen met meer achterstandskinderen zijn de kleuterleraren sterker aanbodsgericht en leerkrachtgestuurd dan op andere scholen. Dit betekent dat er dus een evolutie valt waar te nemen waarbij de zelfgestuurde object-en activiteitsgerichte aanpak (zelfstandig werken in hoeken) minder centraal staat en de verbale en leerkrachtgestuurde interactie weer meer aan belang wint. Uit de studie blijkt ook dat veel kleuterleidsters die aanstippen dat ze ervaringsgericht werken à la EGKO dit in de praktijk in veel mindere mate doen. Ook in het Vlaamse kleuteronderwijs zijn er evoluties merkbaar in de richting van een meer leerkrachtgestuurde aanpak.

    4. Besluit

    We betreuren nog steeds dat Laevers in 1976 niet koos voor vernieuwing in continuïteit en daardoor ook veel studenten pedagogiek en kleuterleidsters een eenzijdige en verkeerde richting opstuurde. Indien Laevers had gekozen voor ‘vernieuwing in continuïteit’ – met behoud van de sterke kanten – dan zouden we verder hebben gestaan inzake degelijk kleuteronderwijs, onderwijskansen en taalstimulering voor achterstandskleuters …. De invloed van het EGO op het kleuteronderwijs was ongetwijfeld groter dan de invloed op het lager onderwijs. Gelukkig bleef er ook daar een grote afstand tussen theorie en praktijk. In het verleden waren er wel een aantal kleuterleidsters die het EGKO in sterke mate toepasten en dit met alle nefaste gevolgen vandien.

    We hebben steeds betreurd dat veel kleuternormaalschool-pedagogen eenzijdig de EGO-visie propageerden. Ze droegen aldus te weinig bij tot de uitbouw van een uitgebalanceerde kleuterschoolpedagogiek. Zo zijn er kleuterleidsters die zo getrouw mogelijk de EGKO-visie probeerden te realiseren en nu tot hun verbazing te horen of te lezen krijgen dat ze te eenzijdig ervaringsgericht werken. Anderzijds waren kleuterleidsters en wijzelf ook kwaad toen een inspecteur onlangs bij een bespreking van een doorlichting poneerde dat klassikale telactiviteiten al lang niet meer op hun plaats waren in een derde kleuterklas. Zo’n aanpak stond volgens hem haaks op de geest van de ontwikkelingsdoelen en van de EGO-visie die stelt dat de juf zich moet afstemmen op de individuele ontwikkeling. We repliceerden dat het leerplan wiskunde (katholiek onderwijs) op een meer intentionele benadering aanstuurt.

    Like

  4. Kleuters die zelf kiezen voor een activiteit spelen met een hogere betrokkenheid waardoor ze veel langer zullen onthouden wat ze gedaan hebben en met deze verhalen trekken ze naar huis. Er zijn nog heel wat scholen waar men ook bij kleuters streeft naar het behalen van resultaten. Zo sprak ik een tijd geleden met een medestudent die stage deed in een school waar de kleuters vaak tot vier werkblaadjes per dag moesten maken omdat de ouders resultaten van hun kleuters verwachtten. Zelf kan ik me dit moeilijk inbeelden omdat ik stage doe in een school waar zeer weinig werkblaadjes worden aangeboden. Een aantal kleuters bij mij in de stageklas spelen steeds met de blokken en kiezen zelden voor een knutselactiviteit. Ik vind dit zeker geen gemiste leerkans omdat ook in hun spel fijne motoriek en creativiteit aan bod komen. Ook bevorderen de vrije keuzes een positief zelfbeeld, ze ontdekken eigen interesses en talenten.

    Lien Vermonden

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s