6 nieuwtjes over taalontwikkelende gesprekken met kleuters

Wat ik dit jaar bijleerde:

1 De inhoud van de activiteit doet ertoe.

“Taal-de-hele-dag” is een mooie doelstelling om na te streven, maar in de praktijk doet het ertoe wat je doet (o.m. Cabell et al., 2014). Zo blijken wetenschapsactiviteiten en voorleesmomenten de beste contexten om tot rijke, taalstimulerende gesprekken te komen. Daarop inzetten is dus een goede strategie voor taalontwikkeling.

2 Stel alles in het werk om verlegen anderstalige kleuters uit de tent te lokken.

Wat doe je met een anderstalige nieuwkomer in jouw klas die erg verlegen is? Je probeert hem geduldig uit zijn tent te lokken, en gelijk heb je. Onderzoek heeft immers aangetoond dat het temperament een rol speelt bij de tweedetaalverwerving! Verlegen kleuters uit immigrantengezinnen beheersen de tweede taal minder goed dan minder verlegen kleuters (Keller, Troesch & Grob, 2013). Wanneer de kleuters over langere periode geobserveerd worden, blijkt dat verlegen kleuters ook trager ontwikkelen in hun tweede taal dan minder verlegen kleuters.

Er is onlangs een uitstekende Nederlandstalige website gelanceerd met tips om op een respectvolle manier met dergelijke kinderen in gesprek te gaan. Ook bruikbaar voor peuters.

3 Het kletstheater

Bij het kletstheater laat je de kleuters eerst een taaltekening/collage maken, waarover ze vervolgens babbelen in de kring. Wanneer de kleuters dit thuis met hun ouders voorbereiden, leidt dat vast tot een boeiend gesprek in de thuistaal. Een mooie ouderprikkel! Interessant voor kleuters die meertalig opgroeien.

4 Open vragen stellen is maar het halve werk!

Volgens de kleuterexperts Wasik en Hindman van het succesvolle ExCELL-project stellen kleuterleerkrachten vaak wel goede vragen, maar ontbreken uitgebreide antwoorden van de kleuters (Wasik & Hindman, 2013).

Een gouden tip van deze onderzoekers is om op voorhand al vragen in te plannen, zoals je deed/doet in de lerarenopleiding. Maar niet te veel, geen 10, maar eerder 2-3 per activiteit/moment. Op die manier voel je geen haast om een lange vragenlijst af te werken, en geef je meer ruimte aan uitgebreide antwoorden.  Andere hulpmiddelen zijn:

  • doorvragen
  • meerdere antwoorden van meerdere kleuters uitlokken en met elkaar vergelijken
  • genoeg spreekruimte geven
    • eventjes wachten voordat je besluit dat het kind niets meer weet
    • andere kinderen leren om ondertussen te luisteren en te zwijgen
  • ondersteuning bieden aan taalzwakke kleuters
    • door het antwoord van de kleuter te herhalen en uit te breiden
    • door het antwoord te modelleren

In jouw vragen kan je doelwoorden verwerken die je graag aan de kleuters wil aanbieden, of belangrijke ideeën die centraal staan in jouw thema.

5 Beter enkele langere diepgaande gesprekken dan vele korte praatjes.

Jouw interactiestijl heeft een effect op de taalontwikkeling: hoe vaak je kleuters uitdaagt om te spreken, en hun taaluitingen uitbreidt.  Dat wist je al wellicht. Maar ook de wijze waarop je deze interactietechnieken inzet over de tijd maakt uit. (Dat wist ik nog niet.)

Sommige kleuteronderwijzers knopen met zoveel mogelijk kleuters één voor één een (taalstimulerend) praatje aan. Andere kleuteronderwijzers kiezen voor meer diepgaande gesprekken, waarvoor ze soms kansen moeten laten vallen. Deze tweede strategie is volgens recent onderzoek van Cabell et al. (2015) geassocieerd met een grotere woordenschatgroei in de kleuterklas. Dus kansen laten liggen mag, als het ten voordele is van langere diepgaande gesprekken.

Hier laat de leerkracht bewust een kans liggen:

Devin: ik heb een berg gemaakt
Lrkr: jij hebt een berg gemaakt.
Devin: Ja, een grote berg met lava.
Lrkr: Een grote berg met lava, echt?

Om voluit te gaan in het volgende gesprek:

Lrkr: Kelly, wat ben je aan het maken? (uitdagen)
Kelly: Ik weet het niet.
Lrkr: Weet je het niet? Vertel me, wat ben je aan het maken? (uitdagen)
Kelly: Een bloem.
Lrkr: Oh, je bent een bloem aan het maken met een lange stengel en met blaadjes. (uitbreiden)
Kelly: Ja, het is een mooie bloem.
Lrkr: Dat vind ik ook. Het lijkt op een tulp. (uitbreiden)

Dit advies strookt erg goed met het blogbericht van Liesl Veulemans over spelkwaliteit verhogen.

6 Studenten focussen eerst op de taalruimte (spreekkansen)

In het voorbeeldje hierboven gaat het om (1) uitdagen/spreekkansen geven/taalruimte creëren (allemaal synoniemen), (2) uitbreiden/taalfeedback (synoniemen). Onze tweedejaarsstudenten zijn vooral bezig met het eerste. Voor de peuterstage onderzochten ze op basis van een gespreksopname hun eigen interactiestijl, en daarbij kwamen ze uit op de volgende werkpunten:

  • prikkelende beweringen doen zodat de peuters hierop reageren (30/52 studenten)
  • ruimte scheppen voor opmerkingen van de peuters door zelf minder vragen te stellen, aanmoedigende luistergeluiden te maken, en stiltes te laten vallen (20/52 studenten)

Peuterzinnen uitbreiden met nieuwe woorden leek slechts voor een enkeling een werkpunt. Hopelijk komt dat later nog, want volgens mij valt hier nog veel bij te leren. De motor van de taalontwikkeling heeft die taalfeedback nodig om goed te draaien.

Meer lezen?

Wetenschappelijke bronnen

Cabell, DeCoster, LoCasale-Crouch, Hamre, Piante (2013). Variation in the effectiveness of instructional interactions across preschool classroom settings and learning activities. Early Childhood Research Quarterly, 28, 820–830.

Cabell, S. Q., Justice, L. M., McGinty, A. S., DeCoster, J., & Forston, L. D. (2015). Teacher–child conversations in preschool classrooms: Contributions to children’s vocabulary development. Early Childhood Research Quarterly, 30, 80-92.

Wasik & Hindman (2013). Realizing the promise of open-ended questions. The Reading Teacher, 67, 302–311.

 

4 gedachtes over “6 nieuwtjes over taalontwikkelende gesprekken met kleuters

  1. Welke taalimpulsen geef je het beste aan 2.5j? hoe zorg je ervoor dat deze taalrijkend kunnen zijn en dat ze niet te moeilijk voor hen zijn? Je mag geen Ja/neen vragen stellen aan de kleuters, want dan bestaat de kans erin dat je vaak een “neen” krijgt. Klopt dit?

    Like

    • Beste Kendra
      Naar mijn mening gebruik je heel veel verschillende soorten vragen, zowel open vragen als gesloten vragen. Ja-neen-vragen mogen dus zeker, ook aanwijsvragen of doevragen, maar stel daarnaast ook denkstimulerende vragen, hoe-, wie-, wat-, waar-vragen. Stel zeker vragen die gaan over het hier-en-nu: het thema maak je aanwezig in jouw gesprek door middel van voorwerpen, poppenspel, enz. Bv. de klaspop heeft een grote snottebel. Wat moet hij nu doen? Maar af en toe mag je de peuters ook uitdagen met een vraag buiten het hier-en-nu: hun eigen ervaringen, voorspellingen. Je geeft de peuters veel denktijd, en voorziet taalfeedback.

      Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s