Wat weten we nog niet over woordenschatonderwijs? En wat wel?

Van experts verwachten we soms dat ze op alles een goed antwoord hebben, maar ik vind het eens zo interessant als ze benoemen wat ze nog niet weten. Dat deden onlangs drie wetenschappelijke onderzoekers over het thema woordenschatonderwijs, de kleuterexperts Hindman, Wasik & Snell (2016).

Wat weten we nog niet?

De vragen van deze onderzoekers klinken jou waarschijnlijk erg vertrouwd in de oren als je zelf met woordenschatonderwijs bezig bent:

  • Hoeveel woorden moeten kinderen leren om hun achterstand in te halen?
  • Welke types van woorden moeten leerkrachten bewust onderwijzen? En gezinnen?
  • Waarom halen sommige kinderen meer uit een activiteit dan andere?
  • Hoe kunnen we leerkrachten best trainen in goed woordenschatonderwijs? En gezinnen?
  • Hoe kunnen we een leertraject bouwen vanaf de allerjongste leeftijd (<2 jaar)?

Er zijn al heel wat mogelijke en goed beredeneerde antwoorden geopperd, maar wetenschappelijk onderzoek ontbreekt om het beste antwoord te kunnen identificeren. Dus roepen deze onderzoekers op tot meer onderzoek. Ondertussen hoeven we niet bij de pakken te zitten, en kiezen we een methode die goed beredeneerd en uitgewerkt is voor de klaspraktijk.

Wat weten we al wel?

De taalkloof tussen armere en rijkere gezinnen

In arme gezinnen horen kinderen minder woorden dan in gezinnen met een gemiddeld inkomen. Bovendien horen ze minder laagfrequente woorden of schooltaalwoorden en als ze gebruikt worden, krijgen de kinderen minder kansen om deze woorden te leren.  Ten slotte wordt er minder voorgelezen en zijn er minder kwalitatieve heen-en-weergesprekken met de kinderen.

Ook in Vlaamse kansarme gezinnen met jonge peuters werd onlangs een kloof vastgesteld: gemiddeld genomen is de talige interactie tussen moeder en kind in zulke gezinnen van mindere kwaliteit (Vanormelingen & Gillis, 2016). Gelukkig stellen de onderzoekers heel wat variatie vast tussen gezinnen: er zijn arme gezinnen waarin de talige interactie wel van goede kwaliteit is, en er zijn gezinnen met een gemiddelde of hoge SES waar de talige interactie van mindere kwaliteit is.

De effectiviteit van de huidige woordenschatprojecten

De kleuterklas is niet zomaar vanzelf een stimulerende omgeving. Regelmatig krijgen kleuters weinig spreekkansen, en hebben ze weinig de gelegenheid om nieuwe woorden in de mond te nemen. Gemiddeld genomen besteden leerkrachten maar vijf minuten per dag aan woordenschatinstructie, en er is daarbij heel wat variatie tussen leerkrachten.

De drie kleuterexperts hebben zelf enkele succesvolle taalprojecten gedaan, waarbij de resultaten niet alleen zichtbaar waren in de kennis van de woordenschat die bewust getraind werd, maar ook in een toets van de algemene woordenschat. Ze zijn niet de enige met een succesvol en zorgvuldig getest project, maar gemakkelijk blijkt het niet om de kloof een beetje te dichten.

Om nog succesvoller te kunnen zijn, moeten volgens hen ook de gezinnen ingeschakeld worden. Zo’n gezinsproject moet expliciet op de taalkwaliteit van de gesprekken focussen, en gecoördineerd worden met het taalprogramma op school. Eén project voor kleuterklassen en gezinnen dus. Een ander aandachtspunt is de ondersteuning voor de uitvoerders, leerkrachten of ouders. Zij moeten gedurende minstens één jaar ondersteund worden en ook nadien mogen de inspanningen niet verwateren. De leerkrachten en ouders krijgen best duidelijke richtlijnen over hoe en hoe vaak ze woorden moeten onderwijzen.

Didactische principes om beter woorden te leren

Er bestaat al heel wat wetenschappelijk onderzoek over de vraag hoe woorden onderwezen moeten worden. Kinderen leren beter woorden:

  1. wanneer ze een woord herhaaldelijk horen.
  2. als ze een definitie krijgen of zelf een definitie moeten zoeken.  Dat gaat eens zo goed wanneer het woord tegelijk voorgesteld wordt door een voorwerp, een prent of een handeling.
  3. wanneer de woorden in een betekenisvolle context voorkomen (een thema, een verhaal), en niet geïsoleerd.
  4. wanneer ze de woorden verbinden met hun achtergrondkennis en persoonlijke ervaringen. Die ervaringen kan de leerkracht zelf inplannen in het thema.
  5. wanneer ze kunnen spreken met volwassenen. Volwassenen moeten open vragen stellen aan de kinderen op het moment dat hun productieve taalvaardigheid zich al aan het ontwikkelen is. In die open vragen moeten ze de doelwoorden verwerken, of de kinderen aanzetten om de doelwoorden te gebruiken in het antwoord. Ze moeten de opmerkingen van het kind herhalen en uitbreiden.

Bronnen:

Meer over het Vlaams onderzoek in De Standaard van 3 juni 2016.

Een gedachte over “Wat weten we nog niet over woordenschatonderwijs? En wat wel?

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s