Kleine kinderen kunnen wel al abstract denken – Piaget had ongelijk!

Wat als, ‘wat als?’ geen grap was, maar de basis voor de denkontwikkeling?

István ziet donkere streepjes op de muur waar er voor het slapengaan geen waren.

Eerst heeft hij geen flauw idee wat het is, laat staan hoe ze daar komen.

Nog eens kijken dus en er aan voelen, denkt István.

Hé, nu lopen er twee strepen over mijn hand. En op de muur is er plots een vreemde donkere vlek met een heleboel strepen errond. Raar.

De strepen zijn weer weg van mijn hand.

En terug. Dat is leuk.

Kan ik die streepjes ook op mijn been krijgen?

Ja, joepie.

He, die donkere vlek tussen de strepen is groter en ze beweegt.

Kan ik ze pakken?

Ze is weer weg.

Wat als ik mijn hand leg waar ze was?

Nee, ze blijft weg. Enkel streepjes.

Als ik mijn hand van de muur haal, is de vlek er weer. De eerste van daarnet.

Ze volgt de lijnen van mijn hand.

Wat als ik mijn vingers spreid… he dat is mooi.

Tiens.

 

István observeert en experimenteert en de wat als-vragen die hij zich stelt, verbinden de twee. Zo legt hij de basis van zijn denken. Dat beweer ik niet, daarvan overtuigt toponderzoeker Alison Gopnik haar lezers in haar boek De kleine filosoof.

Kinderen ontdekken schaduwen nog voor ze er een woord voor hebben. Wellicht is het dat wat ons echt verbaast. Spelend leert István ook de wetten van de fysica. Hoe groter het voorwerp, hoe groter de schaduw. De schaduw van zijn been is doorgaans groter dan die van zijn hand. Maar ook de positie van hand of been ten opzichte van de lichtbron (lamp of zon) en het projectievlak (muur) zijn van belang. Een hand vlak bij de lamp levert een grote schaduw op, als hij ’s avonds tenminste zijn hand aan de kant van de muur houdt. Dat als het donker is de schaduwstrepen op de muur van de jaloezieën weg zijn, zal hij tegen dan al lang door hebben.

Ook daar zal hij nog lang geen woorden voor hebben, maar het betekent niet dat hij het kind-schaduwniet doorheeft. Meer nog, hij zal er wellicht proefondervindelijk achter zijn gekomen door de bepalende factoren los van elkaar te variëren. Nu eens de schaduw van grote en kleine voorwerpen vergelijken, dan weer de projectie van voorwerpen dichtbij de lichtbron en van voorwerpen ver van de lichtbron.

Wellicht slaat het ook jou met verstomming. Het zou een teken kunnen zijn dat je goed hebt opgelet in de les en te weinig zelf naar kleine kinderen hebt gekeken. Net als ik trouwens.

Piaget zat er naast

Ik heb tijdens mijn opleiding geleerd dat kleine kinderen nog niet rationeel zijn. Ze verkennen hier en nu hun onmiddellijke omgeving met hun zintuigen. Volgens Piaget was er maar sprake van echt denken of abstract redeneren, vanaf de adolescentie. Nee dus, zegt Gopnik. Helemaal niet zelfs. Kleine kinderen, vanaf anderhalf jaar ongeveer, gaan actief op verkenning en proberen de werkelijkheid te doorgronden. Ze zoeken uit, denken na over wat mogelijk is en testen het uit. Counterfactual denken, noemt ze het. Wat als…? Kan het anders? Wat zou er gebeuren als ik nu eens mijn hand vlak voor de lamp zou brengen of vlak voor de muur? Zoekend naar alternatieven trachten ze de werkelijkheid te begrijpen. Een fascinerend spel.

In hun hoofd construeren kinderen causale theorieën over hoe de wereld in elkaar zit. Zoals een cartograaf vroeger zijn kaarten hertekende als de kustlijn toch niet zo ver of recht bleek te zijn als eerst gedacht, zo past het klein grut ook zijn mentale kaarten aan. Niet alle ballen botsen. Sommige honden zijn stout. En hun kleur doet er niet toe. Grote zijn sterker dan kleine, maar er zijn grote lieve honden en ook kleine venijnige bijters.

Ontdekken hoe mensen in elkaar zitten

Tussen hun 2 en 6 jaar, pakweg de tijd dat ze in onze kleuterklassen zitten, ontdekken de kinderen niet alleen hoe de wereld, maar ook hoe de mensen in elkaar steken, zijzelf niet in het minst. Gevoelens, emoties, zienswijzen en hoe dat alles verband houdt met elkaar en varieert van mens tot mens, het krijgt allemaal een plaats in hun onuitgesproken theory of mind.

Peuters en kleuters maken zichzelf zo ook wegwijs in het sociale verkeer. Als ik lief glimlach, lacht de buurman meestal terug, beseffen ze. Ze stellen zich wat als-vragen over wat ze gedaan hebben en over wat ze doelbewust anders zouden kunnen doen. Ze kunnen dus spijt hebben over wat ze gedaan hebben en over gemaakte keuzes. Maar ze kunnen net zo goed alternatieve plannen maken om anders te reageren als ze in de toekomst in analoge situaties terechtkomen. Op grond van nieuw inzicht voorspellen ze immers een betere uitkomst. Ze wikken en wegen en slaan niet tilt als zaken niet zwart-wit zijn, als bijvoorbeeld sommige fietsers onvriendelijker zijn dan andere. Ze leren met andere woorden omgaan met waarschijnlijkheid en die inschatten op basis van eigen ervaringen en observaties.

Een peuter houdt rekening met jouw smaak als die verschilt van de zijne

Een eenvoudig experimentje beschrijft waartoe baby’s tussen 14 en 18 maanden in staat zijn. Zelf verkiezen ze koekjes boven broccoli, maar als je hen duidelijk maakt dat voor iemand anders het omgekeerde geldt –hoe vreemd dat in hun ogen ook moge wezen- dan tonen ze de sympathieke maar onwetende ander de weg naar de broccoli.

Vier jaar is het startpunt voor het echte redeneren

Gopnik voegt er wel aan toe dat het echte redeneren in termen van gedachten en overtuigingen pas aanvangt vanaf ongeveer 4 j. Al een geluk dat we dat nog mogen meemaken in de kleuterklas.

Wees maar zeker dat we dat doen. Als ze zich kunnen inleven in elkaar en in hun juffen en meesters kunnen ze hen ook manipuleren en voor de gek houden. Ze kunnen zelfs hun eigen gevoelens naar de toekomst projecteren. Nu wil ik eigenlijk dit, maar als ik nu doe wat mijn zus vraagt, zal ze straks met mij willen spelen en zal ik ook blijer zijn dan wanneer ik mijn zin doordrijf.

Waarom je zelf Gopniks boek moet lezen!

Gopniks boek fascineert omwille van zijn inhoud en betovert met haar knappe beeldspraak. Een pareltje vooraan in het boek om u echt naar de plaatselijke bibliotheek te sturen: ‘De menselijke evolutie lijkt meer op een metamorfose, zoals rupsen in vlinders veranderen, dan op simpele groei –en dan zijn kinderen misschien de levendige, rondfladderende vlinders die veranderen in de saaie rupsen die centimeter voor centimeter langs het pad van de volwassenheid kruipen.’ (Gopnik, 2009, 17)

 

Gopnik, Alison. (2009) De Kleine filosoof. Nieuwezijds – Amsterdam.

4 gedachtes over “Kleine kinderen kunnen wel al abstract denken – Piaget had ongelijk!

  1. En als je ook een kijkje wilt nemen naar hoe babies en peuters daarbij ook gebruik maken van ‘kansberekening’ moet je hier eens kijken. (Je kan er Nederlandse ondertiteling bij inschakelen).

    The surprisingly logical minds of babies

    Like

  2. Ook aan te bevelen, een wat ouder boek van Gopnik en medewerkers, waarin ze verslag doen van hun experimenten: Alison Gopnik Andrew N. Meltzoff Patricia K. Kuhl (2007). The Scientist in the Crib. What Early Learning Tells Us About the Mind. HarperCollins Publishers.
    Hun werk is een helder pleidooi tegen academische lessen voor peuters en kleuters, laat staan standaardtesten.

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s