Pief poef paf… Spelend vechten in de klas

Op de speelplaats nemen Jo en Sam dikke takken. Ze houden ze voor zich en richten de geïmproviseerde wapens op elkaar. “PAF! Jij bent dood!”, roept Jo naar Sam. Juf Larissa ziet het gebeuren en twijfelt. Moet ze ingrijpen?

Wanneer kleuters spelend vechten of ‘schieten met geweren’ beschouwen volwassenen dit doorgaans als agressief en problematisch gedrag, eerder dan als ontwikkelingsspel. Maar is dit wel zo? Is spelend vechten een voorspeller van agressief gedrag? En hoe begeleid je als lesgever dit spel in de klas?

Om deze vragen te kunnen beantwoorden moeten we eerst verduidelijken wat we bedoelen met spelend vechten onder jonge kinderen. Voor ons is dit veelzijdig. Het gaat van spelgedrag waarbij kleuters zowel verbaal als fysiek samenspelen, van stoeien tot oorlogsspel, van superhelden- tot boevenspel. Een terugkomend element is het vrijwillig en plezierig karakter, met tegelijkertijd het gebruik van geweld of agressie in één of andere vorm. De kleuters spelen hierbij echt samen, ze overleggen dus over het spelverloop tijdens het spelend vechten (Hart & Tannock, 2013).

Spelen, vechten of spelend vechten?

Het onderscheid tussen spelend vechten en echte agressie blijkt voor volwassenen moeilijker te maken dan voor kinderen (Wegener-Spöhring, 1994 in Hellendoorn & Harinck, 2000).
Hierdoor geven ouders en leerkrachten soms tegenstrijdige boodschappen aan kinderen over spelend vechten. Het ene moment laat men het toe, op andere momenten wordt het streng verboden en alle varianten hiertussen. Dit zorgt natuurlijk voor verwarring bij kinderen. Is het slecht om te spelen dat je een ander kind neerschiet? Als je speelstoeit met je vriendje? Door het onderscheid en de noodzaak van dit spel in te zien kunnen we er als leerkracht beter op inspelen (Hart & Tannock, 2013).

Ook voor kleuters is het belangrijk om het verschil te leren zien en ervaren tussen échte agressie en fantasie-/spelend geweld. Het verschil tussen beide moet ervaren worden om herkend te worden, in de klas en daarbuiten. Je zou daarom kunnen stellen dat kinderen die minder deelnemen aan gewelddadig rollenspel de kans ontlopen om dit verschil te ervaren (Hart & Tannock, 2013).

Het belangrijkste verschil is het doel van het gedrag; bij echte agressie hebben kinderen de intentie om een ander pijn te doen of om iets kapot te maken. Ze zijn daarbij eerder gespannen en zijn zich doorgaans bewust van het feit dat ze iets doen wat eigenlijk niet mag. Bij spelend vechten hebben kleuters niet de intentie om elkaar opzettelijk pijn te doen. Ze zijn eerder ontspannen, ze gaan op in het spel. Ze lachen veel en het spel is onschuldig ondanks het vechtelement dat ze uitvoeren. Het spel is coöperatief en vrijwillig. Ze zullen wel eens een blauwe plek of buil oplopen, maar die ‘wonden’ ontstaan door de aard van het spel, niet opzettelijk. Kinderen blijken overigens goed in staat dit verschil zelf onder woorden te brengen. Ze geven bijvoorbeeld aan dat vechtspel ‘leuk’ is, terwijl ze bij echt vechten boos op elkaar worden en het spel afbreken (Wegener-Spöhring, 1994 in Hellendoorn & Harinck, 2000).

Ondanks dit duidelijke verschil blijft er onder leerkrachten en ouders ongerustheid over de gevolgen van spelend vechten op lange termijn. Want zelfs als kinderen zelf goed beseffen dat ze ‘maar spelen’, kan spelend vechten toch niet leiden tot agressief gedrag?
We kunnen alvast beginnen met een geruststelling. Er blijkt geen verband te zijn tussen gewelddadig rollenspel bij jonge kinderen en agressief gedrag daarbuiten (Smith, 2004). Ook het aanbieden van oorlogsspeelgoed zet niet of nauwelijks aan tot agressie. Het wordt vooral gebruikt om te spelen, met veel fantasie-agressie, een hoge mate van betrokkenheid en veel spelplezier (Hellendoorn & Harinck, 2000).

Spelend vechten leidt tot minder vechten

Meer zelfs: er lijkt een positief verband te zijn. Kinderen die meer spelend vechten zijn doorgaans minder fysiek of verbaal agressief in de klas. Kinderen die hun agressie in het rollenspel kunnen uiten zijn doorgaans ook socialer in de omgang met hun klasgenoten, buiten dit spel. De hypothese is dat kinderen die hun frustraties, zorgen en andere negatieve emoties kunnen uiten binnen een afgebakende, veilige zone daar geen behoefte toe hebben buiten het spel. Je zou kunnen stellen dat dit spel helpt bij de zelfregulatie van de kinderen (Fehr & Russ, 2013; Pellis & Pellis, 2007).

Daarnaast geeft dit soort spel kinderen de kans om grote thema’s een plaats te geven en te verwerken. Dood, eenzaamheid, zorgen en verzorgd worden, goed en kwaad, macht(eloosheid), …  Het zijn thema’s waar kinderen (in eigen omgeving, door media of verhalen) al op jonge leeftijd mee in aanraking komen. Door hun beperkte woordenschat en cognitieve mogelijkheden zijn zij niet altijd in staat om deze thema’s goed te kunnen plaatsen. Tijdens het spelend vechten kunnen kleuters hier op eigen niveau mee experimenteren en hun frustraties of zorgen uiten (Fehr & Russ, 2013).

Samengevat: spelend vechten, of dat nu met geïmproviseerde wapens, gevangenissen, helden en boeven is of uit een onschuldig robbertje vechten bestaat, heeft heel wat voordelen voor de ontwikkeling van jonge kinderen. Zo draagt het onder meer bij aan de sociale ontwikkeling (leren onderhandelen, luisteren, rolneming, etc.), zelfregulatie, cognitieve ontwikkeling (leren herkennen van het onderscheid tussen fantasie en realiteit, bevorderen van het creatieve denken) en de motorische ontwikkeling (eigen lichaam en grenzen ervan leren aanvoelen, lichaamscoördinatie) (Fehr & Russ, 2013; Hart & Tannock, 2013; Pellegrini, 1987; Pellis & Pellis, 2007; Malloy & McMurray-Schwarz, 2015). Wanneer kleuters daarentegen niet de toestemming krijgen van hun leerkrachten of ouders om spelend te vechten, doen zij dit doorgaans toch, achter de rug van volwassenen om. Dit ontneemt ons dan de kans om toe te zien opdat het spel veilig verloopt en om gepast in te spelen op de thema’s die kleuters hier aanbrengen (Levin, 2003 in Malloy & McMurray-Schwarz, 2015).

Aan de slag

Als we onze beslissingen in de klas maken vanuit wat in het belang van de ontwikkeling en welzijn van het kind staat, zouden we dit soort spel dus moeten toelaten en zelfs ondersteunen. Indien je het spelend vechten daarbij voldoende begeleidt en ondersteunt zien we rijke kansen tot betrokken, plezierig en ontwikkelingsgericht spel.

Daarom enkele tips voor het omgaan met spelend vechten in jouw kleuterklas, gebaseerd op Hart & Tannock, 2013:

  • Zorg dat alle kleuters zich te allen tijde veilig voelen. Betrek de kleuters bij het opstellen van duidelijke regels. Om spelend vechten alle kansen te geven kan het zinvol zijn om niet zelf alle regels voorop te stellen. Doe dit in samenspraak met de kleuters. Maak bijvoorbeeld samen een visuele afsprakenlijst met twee kolommen: vechtspel versus echt vechten. Deze lijst kan hen helpen om er met elkaar over te praten. Je kunt deze lijst blijven aanvullen, ook tijdens en na hun spel.
  • Aansluitend hierop: wees altijd alert voor angstige reacties. Kleuters zullen hier zelf niet meteen aan denken wanneer je met hen nadenkt over dit spel, het is belangrijk dat de leerkracht hier dus waakzaam voor is.
  • De belangrijkste factor die een rol zal spelen in het al dan niet welslagen van het spelend vechten in de klas is het toezicht van de leerkracht. Kleuters zullen, zeker in het begin, niet altijd alle regels respecteren. Net zoals je een kind dat leert knippen nauwlettend in de gaten houdt of een kind dat hoog gaat klimmen niet alleen laat, zo zal je ook het spelend vechten van nabij moeten opvolgen om na te gaan of de vooropgestelde regels (zie hierboven) worden opgevolgd en om hen hierin te begeleiden.
  • Maak gebruik van teachable moments: blijven de kinderen vastzitten in een patroon, gaat de verbale agressie je petje te boven, merk je dat de kinderen agressieve thuissituaties spelen of kent een kleuter zijn eigen krachten niet? Gebruik dit om in gesprek te gaan over oorlog, geweld en vrede. Rijk kleuters ook taal aan om zich te uiten.
  • Voorzie voldoende ruimte en spelmateriaal: zachte kussens om mee te gooien, kleine pittenzakjes, zwaarden, waterpistooltjes, maskers en capes, walkie-talkies, turnmat,
  • En tenslotte: geef hen regelmatig bevestiging en voorzie spelstimulansen, net zoals je dat bij een ander spel zou doen. Speel mee, stel denkstimulerende vragen en probeer hen te begeleiden en complimenteren zodat het vechtend spelen alle kansen krijgt en een rijk spel kan worden met veel ontwikkelingswaarde.

Astrid Koelman en Eva Dierickx

 

Bronnen:

Fehr & Russ (2013). Aggression in Pretend Play and Aggressive Behavior in the Classroom, Early Education and Development, 24:3, 332-345

Hart & Tannock (2013). Playful Aggression in Early Childhood Settings. Children Australia, 38, pp 106-114

Hellendoorn, J. & Harinck (2000). Oorlogsspeelgoed en agressie bij kleuter, Kind en adolescent, 21: 156

Pellegrini (1987). Rough-and-Tumble Play: Developmental and Educational Significance, Educational Psychologist, 22:1, 23-43

Pellis & Pellis (2007). Rough-and-Tumble Play and the Development of the Social Brain, Current Directions in Psychological Science. 16:95, 95-98

Malloy & McMurray-Schwarz (2015). War play, aggression and peer culture: a review of the research examining the relationship between war play and aggression, Social
Contexts of Early Education, and Reconceptualizing Play (II) 235-265.

3 gedachtes over “Pief poef paf… Spelend vechten in de klas

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s